
door
Mamisoa Andriantafika
Astigmatisme komt bijzonder vaak voor. Toch begrijpt een patiënt die op zijn voorschrift “cilinder -1,25 op 90°” leest, zelden wat dat werkelijk betekent. Men beschrijft astigmatisme vaak door te zeggen dat het oog “de vorm van een rugbybal heeft in plaats van een voetbal”. Dat beeld is makkelijk voor te stellen, maar het helpt niet om de afwijking correct te begrijpen.
Astigmatisme is in de eerste plaats een optisch probleem: de sterkte van het oog is niet in alle richtingen gelijk. Het licht convergeert dus niet op dezelfde manier volgens zijn oriëntatie, en het beeld van een punt vormt niet langer perfect een punt op het netvlies. Daar komt trouwens precies het woord “astigmatisme” vandaan. In dit eerste deel gaan we deze afwijking begrijpen: haar oorsprong, haar symptomen en haar verschillende vormen. Het tweede deel, dat verschijnt op 24 augustus 2026, is gewijd aan de manieren om het te corrigeren.
Het woord komt uit het Grieks. Het voorvoegsel a- betekent “zonder”. Het woord stigma betekent “punt”, “merkteken” of “vlek”. Astigmatisme kan dus bij benadering vertaald worden als “afwezigheid van een punt”.
Die woordkeuze is optisch gezien bijzonder treffend. In een normaal optisch systeem moeten de stralen die van een punt komen, idealiter naar een ander punt convergeren. In een astigmatisch systeem convergeren ze niet allemaal op dezelfde plaats.
De geschiedenis van deze afwijking is interessant. Thomas Young beschreef het fenomeen al aan het begin van de negentiende eeuw. De Britse astronoom George Biddell Airy bestudeerde vervolgens zijn eigen astigmatisme en beschreef in 1825 de correctie ervan met een cilindrische lens. De term “astigmatism” werd hem enkele jaren later voorgesteld door William Whewell, een Britse wetenschapper die bekendstond om het bedenken van verschillende wetenschappelijke termen. De eerste gedrukte vermeldingen van het woord verschijnen in het midden van de negentiende eeuw.
Astigmatisme betekent letterlijk “afwezigheid van een punt”: het beeld van een punt vormt niet langer een punt.
Een astigmatisch oog heeft geen enkel brandpunt, maar twee hoofdbrandpunten op verschillende afstanden.
Om een scherp beeld te vormen moet het oog het licht op het netvlies doen convergeren. Het hoornvlies levert een groot deel van de optische sterkte van het oog. De ooglens, gelegen achter de iris, voltooit deze scherpstelling.
In een oog zonder significant astigmatisme is de optische sterkte ongeveer gelijk in elke meridiaan die men onderzoekt. In een astigmatisch oog varieert ze volgens de richting. Stel bijvoorbeeld dat het hoornvlies verticaal iets boller is dan horizontaal. Het zal verticale en horizontale lijnen dan niet op dezelfde manier doen convergeren.
In het klassieke geval van een regelmatig astigmatisme kan men twee loodrecht op elkaar staande hoofdmeridianen definiëren: een meridiaan met de sterkste optische sterkte, en een andere, op 90°, met de zwakste.

In plaats van één enkel brandpunt krijgt men dan twee hoofdbrandpunten op verschillende afstanden. Tussen beide ligt een zone die de conoïde van Sturm wordt genoemd. U hoeft de conoïde van Sturm uiteraard niet te kennen om uw bril te dragen. Deze voorstelling verklaart echter waarom astigmatisme een indruk van wazigheid, van dubbelzien of van uitgerekte contouren kan geven.
De symptomen hangen af van de grootte van het astigmatisme, van zijn as, van de leeftijd van de patiënt en van de andere geassocieerde optische afwijkingen. Een klein astigmatisme kan perfect goed verdragen worden. Een meer uitgesproken astigmatisme kan zich daarentegen op verschillende manieren uiten.
| Teken | Hoe het zich uit |
|---|---|
| Wazig zicht | Zowel veraf als dichtbij, afhankelijk van de as en de sterkte van de afwijking |
| Onscherpe contouren | Indruk van dubbelzien of van een “schaduw” rond de letters |
| Visuele vermoeidheid | Na langdurig lezen of een dag schermwerk |
| Moeite met kleine tekens | Verwarring tussen letters of cijfers met een gelijkaardige vorm |
| Hoofdpijn | Soms, bij een langdurige visuele inspanning |
Bij het kind kan een groot, niet-gecorrigeerd astigmatisme een amblyopie in de hand werken.
Bij het kind verdient een groot, niet-gecorrigeerd astigmatisme bijzondere aandacht. Een beeld dat tijdens de periode van visuele ontwikkeling langdurig wazig blijft, kan een amblyopie of “lui oog” in de hand werken, dat wil zeggen een oog dat nooit leert scherp te zien. Dat is een van de redenen waarom een oogonderzoek, zo nodig aangevuld met een orthoptisch en neurovisueel bilan, zo waardevol is bij het kind. Astigmatisme behoort tot de frequente brekingsfouten die gecorrigeerd kunnen worden met een bril, met lenzen of, bij sommige volwassenen, met chirurgie.
De as op uw voorschrift geeft niet aan waar het oog naartoe kijkt. Hij beschrijft de oriëntatie van de cilinder die de afwijking corrigeert.
Ja. Het komt zelfs heel vaak voor. Bijziendheid, verziendheid en astigmatisme beschrijven verschillende eigenschappen van het optische systeem. Een oog kan dus bijziend en astigmatisch zijn, verziend en astigmatisch, of astigmatisch zonder noemenswaardige bijziendheid of verziendheid.
Dat is wat een brilvoorschrift met een sferische waarde, een cilinder en een as uitdrukt. Nemen we een voorbeeld: -2,00 (-1,00 op 90°). De waarde -2,00 komt hier vooral overeen met de bijziendheid. De cilinder van -1,00 komt overeen met de grootte van het gecorrigeerde astigmatisme, en 90° geeft de oriëntatie ervan aan.
De as geeft dus niet aan dat het oog “naar 90° kijkt”. Hij beschrijft eenvoudigweg de oriëntatie van de cilinder die nodig is om de optische afwijking te corrigeren.
Wie deze drie getallen kan lezen, kijkt anders naar zijn voorschrift. De sferische waarde vertelt over de bijziendheid of de verziendheid. De cilinder en de as vertellen over het astigmatisme. Twee voorschriften met hetzelfde “totaal” kunnen zo heel verschillende ogen beschrijven.

Dit onderscheid is veel belangrijker dan het lijkt. Het bepaalt met name of het astigmatisme gemakkelijk met een bril gecorrigeerd zal kunnen worden.
Bij een regelmatig astigmatisme staan de twee hoofdmeridianen ongeveer loodrecht op elkaar. De optische afwijking kan dan doorgaans beschreven worden met een relatief eenvoudige combinatie van sfeer, cilinder en as. Dat is het astigmatisme dat men gewoonlijk corrigeert met een bril of met torische lenzen. Men onderscheidt verschillende oriëntaties.
| Vorm | Meest gekromde meridiaan | Bijzonderheid |
|---|---|---|
| Volgens de regel (with-the-rule) | Verticaal | Frequente configuratie bij jonge personen |
| Tegen de regel (against-the-rule) | Horizontaal | Het aandeel ervan neemt toe met de leeftijd |
| Schuin | Schuine oriëntaties | Zelfde optische principes, tussenliggende assen |
Deze drie vormen blijven regelmatige astigmatismen zolang de optische geometrie voldoende regelmatig blijft en de twee hoofdmeridianen goed gedefinieerd zijn.
Regelmatig of onregelmatig: dit onderscheid beslist of een bril zal volstaan.
Bij een onregelmatig hoornvlies lost het voortdurend aanpassen van de brilcilinder het probleem niet op.
De situatie is anders wanneer de sterkte van het hoornvlies binnen eenzelfde meridiaan op complexe wijze varieert, of wanneer de geometrie van het hoornvlies asymmetrisch wordt. Een eenvoudige sferisch-cilindrische correctie volstaat dan niet meer om dit optische oppervlak correct weer te geven. Men spreekt van een onregelmatig astigmatisme.
| Mogelijke oorzaak | Mechanisme |
|---|---|
| Keratoconus | Het hoornvlies wordt dunner en vervormt geleidelijk |
| Andere corneale ectasie | Geleidelijke vervorming van een verzwakt hoornvlies |
| Hoornvlieslitteken | Een ondoorzichtige of vervormde zone verstoort het oppervlak |
| Hoornvliesdystrofieën | Sommige aandoeningen wijzigen de regelmaat van het hoornvlies |
| Trauma | Wonde of blijvende vervorming |
| Groot pterygium | Het vlies dat over het hoornvlies groeit, vervormt het |
| Eerdere hoornvlieschirurgie | Transplantatie, incisies of laser kunnen een onregelmatig oppervlak achterlaten |
| Zeer onregelmatig oogoppervlak | Een instabiele traanfilm verslechtert het eerste optische oppervlak |
Keratoconus is een klassiek voorbeeld: het hoornvlies wordt dunner en vervormt geleidelijk, wat zowel bijziendheid als een steeds onregelmatiger astigmatisme veroorzaakt. In die context lost het voortdurend aanpassen van de brilcilinder het probleem niet noodzakelijk op. Men moet begrijpen waarom het hoornvlies onregelmatig is. Een hoornvliestopografie of -tomografie kan dan nodig zijn.
De klassieke keratometrie meet in wezen de kromming van bepaalde zones van het hoornvlies. De hoornvliestopografie gaat veel verder: ze produceert een echte kaart van het hoornvliesoppervlak.
De tomografie maakt het bovendien mogelijk de geometrie in drie dimensies te bestuderen. Ze analyseert onder meer het voorste en het achterste oppervlak van het hoornvlies, evenals de pachymetrie ervan, dat wil zeggen de dikte. Wij voeren dit onderzoek uit met de Anterion, een optische coherentietomograaf van het voorste oogsegment, die al deze metingen tijdens eenzelfde onderzoek verzamelt.
Deze onderzoeken spelen een bijzonder belangrijke rol wanneer men een keratoconus, een onregelmatig astigmatisme of een ectasie vermoedt, en wanneer men een refractieve chirurgie overweegt. Ze maken het mogelijk de structuur van de optische afwijking te begrijpen in plaats van enkel de cilinder te meten die vóór het oog nodig is.
De topografie meet geen getal: ze tekent de kaart van uw hoornvlies.

Op een topografische kaart tekent een regelmatig astigmatisme een symmetrische “vlinderdas”. Een keratoconus tekent daarentegen een plaatselijke en asymmetrische zone van verhoogde kromming. Het is dit verschil in tekening, veel meer dan de waarde van de cilinder, dat de aanpak bepaalt.
De cilinder van uw bril vertelt niet alles over uw hoornvlies: de ooglens kan het corneale astigmatisme versterken of compenseren.
Dit is waarschijnlijk een van de belangrijkste begrippen om te vatten. Wanneer een voorschrift bijvoorbeeld -1,50 D cilinder op 100° vermeldt, beschrijft het het globale optische resultaat van het oog. Dat betekent niet noodzakelijk dat het hoornvlies exact 1,50 dioptrie astigmatisme op 100° heeft. Waarom? Omdat het hoornvlies niet het enige optische element van het oog is.
Het corneale astigmatisme komt voort uit de vorm van het hoornvlies. Het heeft zelf twee componenten: het voorste en het achterste oppervlak. Het voorste oppervlak speelt de hoofdrol, maar het achterste oppervlak is optisch niet neutraal. Moderne tomografietoestellen, zoals de Anterion, meten deze twee oppervlakken om het totale corneale astigmatisme te schatten.

Ook de ooglens kan astigmatisme veroorzaken: dat is het interne astigmatisme. Het effect ervan kan het corneale astigmatisme versterken, maar het kan het ook gedeeltelijk compenseren. Dat is een van de redenen waarom de cilinder die bij de refractie gemeten wordt en de cilinder die op het hoornvlies gemeten wordt, kunnen verschillen.
Het refractieve astigmatisme, of totale oculaire astigmatisme, is uiteindelijk wat men waarneemt wanneer het hele optische systeem tegelijk werkt: hoornvlies, ooglens en de andere optische componenten van het oog. Het is vooral dit resultaat dat men meet bij de refractie om een brilcorrectie te bepalen.
Het is dus perfect mogelijk om 1,50 D corneaal astigmatisme te hebben maar slechts 0,75 D cilinder in de bril. Het omgekeerde is eveneens mogelijk. En aangezien astigmatisme zowel een sterkte als een as heeft, kan men niet zomaar twee getallen van elkaar aftrekken: nauwkeurige vergelijkingen vereisen vectorberekeningen. Dit onderscheid wordt bijzonder belangrijk bij het plannen van een refractieve chirurgie of van een torisch lensimplantaat.
Vatten we samen. Astigmatisme is geen ziekte, maar een geometrie: een optische sterkte die varieert volgens de richting. Het kan regelmatig of onregelmatig zijn, corneaal of intern, geïsoleerd of geassocieerd met bijziendheid of verziendheid. Twee patiënten met elk “2 dioptrieën astigmatisme” kunnen in werkelijkheid volledig verschillende situaties vertonen.
Precies daarom heeft de volgende vraag geen eenduidig antwoord: is een bril nodig, torische lenzen, een laserchirurgie, een ICL-implantaat of een torisch implantaat tijdens een staaroperatie? De keuze hangt af van alles wat we zonet hebben gezien: de regelmaat van het hoornvlies, de oorsprong van de cilinder en de volledige refractieve situatie.
Dat is het onderwerp van het tweede deel van dit artikel, dat verschijnt op maandag 24 augustus 2026: van bril tot sclerale lenzen, van LASIK tot torische implantaten, we overlopen er alle manieren om een astigmatisme te corrigeren, en vooral hoe u de juiste kiest.
Het telefonisch secretariaat is bereikbaar van 9.00 uur tot 17.30 uur.
+32(0)2/256.90.83