

Mounjaro is op enkele jaren tijd uitgegroeid tot een belangrijke behandeling van diabetes type 2 en obesitas. Het werkzame bestanddeel, tirzepatide, zorgt vaak voor een sterke daling van de glykemie en een aanzienlijk gewichtsverlies. Net als Ozempic werkt het in op het incretinesysteem. Maar beide geneesmiddelen zijn niet identiek, en dat verschil telt wanneer het over de ogen gaat.
Al enkele jaren worden de GLP-1-agonisten nauwlettend gevolgd voor twee zeer verschillende oogheelkundige vragen: een mogelijke vroege verergering van diabetische retinopathie wanneer de glykemie snel daalt, en meer recent een mogelijk risico op niet-arteritische anterieure ischemische opticusneuropathie, of NAION. Voor semaglutide is het NAION-signaal sterk genoeg geworden dat het Europees Geneesmiddelenbureau het in 2025 erkende als een zeer zeldzame bijwerking. Mag men daaruit besluiten dat Mounjaro hetzelfde risico inhoudt? Op dit moment niet: de gegevens over tirzepatide zijn anders en veel genuanceerder.
Ozempic bevat semaglutide, een agonist van uitsluitend de GLP-1-receptor. Tirzepatide werkt daarentegen tegelijk in op twee receptoren, die van GIP en van GLP-1. Deze dubbele werking verklaart deels zijn grote doeltreffendheid op de glykemie en het gewicht.
Ze betekent ook dat men niet alle effecten die met semaglutide werden waargenomen automatisch mag doortrekken naar tirzepatide. Dat geldt in het bijzonder voor het risico voor de ogen.
De Europese samenvatting van de productkenmerken (SKP) van Mounjaro bevat een waarschuwing over diabetische retinopathie, maar NAION staat er niet in als bijwerking. De regelgevende situatie verschilt dus van die van semaglutide, zonder dat de vraag naar NAION daarmee definitief beantwoord is.
Twee receptoren in plaats van één: wat geldt voor Ozempic, geldt niet noodzakelijk voor Mounjaro.
Patiënten die met Mounjaro behandeld worden, combineren vaak meerdere risicofactoren voor NAION. Dat maakt het signaal zo moeilijk te interpreteren.
Niet-arteritische anterieure ischemische opticusneuropathie is het gevolg van een gebrekkige doorbloeding van het voorste deel van de oogzenuw, de papil (oogzenuwhoofd). Ze veroorzaakt doorgaans een plotse, pijnloze en meestal eenzijdige daling van het zicht, vaak samen met het verlies van een deel van het gezichtsveld.
Diabetes, arteriële hypertensie, dyslipidemie, het obstructief slaapapneusyndroom en bepaalde anatomische configuraties van de papil zijn bekende risicofactoren.
Net die factoren komen echter zeer vaak voor bij patiënten die met Mounjaro of met andere geneesmiddelen uit dezelfde familie behandeld worden. In een observationele studie is het dus moeilijk om het eventuele effect van het geneesmiddel te onderscheiden van dat van het profiel van de patiënt.
Een studie die in 2025 in JAMA Network Open verscheen, heeft de vraag toch opnieuw doen oplaaien.

De onderzoekers analyseerden meer dan 1,5 miljoen patiënten met diabetes type 2 en vergeleken wie semaglutide of tirzepatide kreeg met wie andere antidiabetica kreeg.
Na statistische matching werd in de twee daaropvolgende jaren NAION vastgesteld bij 35 van de 79.699 patiënten (0,04 %) in de groep semaglutide of tirzepatide, tegenover 19 van de 79.699 (0,02 %) in de controlegroep. De hazard ratio bedroeg 1,76, met een betrouwbaarheidsinterval van 1,01 tot 3,07: significant, maar nipt.
Op zich zou dit resultaat kunnen doen denken dat Mounjaro het risico deelt dat met Ozempic werd waargenomen. Er is echter een groot probleem. Van de 82.972 aanvankelijk blootgestelde patiënten hadden er 63.926 semaglutide gekregen, slechts 3.815 tirzepatide, en 15.231 beide geneesmiddelen. Het signaal kan dus niet specifiek aan tirzepatide worden toegeschreven.
De auteurs probeerden ook een rechtstreekse vergelijking tussen beide moleculen. Na matching bleven er 3.806 patiënten per groep over, met twee gevallen van NAION onder semaglutide en slechts één onder tirzepatide. Dat is veel te weinig om enig betrouwbaar verschil aan te tonen.
Minder dan 5 % van de patiënten in deze studie had enkel tirzepatide gekregen. Ze werpt een vraag op, maar bewijst niets voor Mounjaro.
Als elke GLP-1-activiteit hetzelfde risico op NAION met zich meebracht, zou men er onder tirzepatide niet minder verwachten.
Een studie die in 2026 in Ophthalmology Retina verscheen, vergeleek diabetespatiënten die met tirzepatide begonnen met patiënten die startten met een GLP-1-agonist zonder GIP-activiteit, zoals semaglutide of dulaglutide. Na matching telde elke groep 102.590 patiënten, die tot drie jaar werden opgevolgd.
Tirzepatide ging gepaard met minder oogcomplicaties: een hazard ratio van 0,79 voor diabetische retinopathie, van 0,82 voor diabetisch macula-oedeem, van 0,66 voor glasvochtbloedingen of netvliesloslatingen en van 0,65 voor de noodzaak van een behandeling om het zicht te vrijwaren. Nog opvallender: ook het risico op NAION was lager onder tirzepatide, met een hazard ratio van 0,45 (betrouwbaarheidsinterval van 0,27 tot 0,86).
Dat betekent niet dat Mounjaro de oogzenuw beschermt. Het gaat om een retrospectieve studie, niet om een gerandomiseerde studie die voor deze vraag werd opgezet, en verschillen tussen populaties kunnen ondanks een zorgvuldige matching blijven bestaan. Maar dit resultaat valt moeilijk te rijmen met het idee dat alle geneesmiddelen met GLP-1-activiteit noodzakelijk hetzelfde risico op NAION zouden hebben.
In 2026 laat de situatie zich vrij eenvoudig samenvatten. Voor semaglutide vonden verschillende grote studies een NAION-signaal, meta-analyses versterkten het, en het EMA voegde deze complicatie toe aan de officiële productinformatie van het geneesmiddel. We hebben dat uitvoerig besproken in ons artikel Ozempic et la vision : quel est le risque réel de NOIA ? (in het Frans), gepubliceerd op de website van het medisch centrum La Sauvagère.
Voor tirzepatide roepen enkele gegevens de vraag op, maar een vergelijkbaar bewijs bestaat niet. Een grote recente studie suggereert zelfs een lagere incidentie van NAION dan bij de klassieke GLP-1-agonisten.
De consensus die de North American Neuro-Ophthalmology Society en de American Academy of Ophthalmology in 2026 publiceerden, herinnert eraan dat de gegevens over GLP-1-agonisten hoofdzakelijk uit observationele studies komen en dat het absolute risico op NAION laag blijft. De tekst pleit voor een gedeelde en geïndividualiseerde beslissing eerder dan voor een algemene contra-indicatie voor deze klasse van geneesmiddelen.
Vandaag kan men niet stellen dat Mounjaro hetzelfde risico op NAION inhoudt als Ozempic.
Een lang ontregelde diabetes te snel verbeteren kan, paradoxaal genoeg, het netvlies eerst doen verslechteren.
Het best gedocumenteerde oogprobleem met tirzepatide betreft eerder diabetische retinopathie. Het fenomeen is al tientallen jaren bekend: wanneer een lang slecht gecontroleerde diabetes zeer snel wordt gecorrigeerd, kan een bestaande retinopathie tijdelijk verergeren. Men spreekt van vroege verergering van diabetische retinopathie, of early worsening in het Engels.
Dit werd al met insuline waargenomen, lang vóór de komst van semaglutide of tirzepatide. Bij Mounjaro rijst de vraag in het bijzonder omdat het de HbA1c sterk kan doen dalen.

De Europese SKP van Mounjaro vermeldt het uitdrukkelijk: “Een snelle verbetering van de glykemische controle is in verband gebracht met een tijdelijke verergering van diabetische retinopathie”. Ze beveelt aan patiënten die al een retinopathie hebben nauwgezet op te volgen en hen te behandelen volgens de klinische richtlijnen.
Dit mechanisme moet goed begrepen worden: het betekent niet dat tirzepatide toxisch is voor het netvlies. Het probleem lijkt vooral te liggen bij de snelheid van de metabole verbetering.
De grote studies die tot de goedkeuring van tirzepatide leidden, waren eerder geruststellend voor het netvlies. In SURPASS-1 en SURPASS-5 werd geen enkel geval gemeld van retinopathie die onder behandeling was ontstaan. In SURPASS-2, SURPASS-3 en SURPASS-4 waren zulke voorvallen zeldzaam, hooguit in de orde van 1 %.
Toch moet men dit gegeven voorzichtig interpreteren. Alle SURPASS-studies hadden de patiënten met de meest zorgwekkende retinopathieën uitgesloten: proliferatieve retinopathie, diabetische maculopathie of niet-proliferatieve retinopathie die een dringende behandeling vereiste.
Met andere woorden: net de patiënten bij wie een snelle verergering het meest te vrezen viel, ontbraken. Dat er in deze studies geen signaal werd gevonden, laat dus niet toe te besluiten dat het risico niet bestaat bij een diabetespatiënt met een reeds gevorderde retinopathie.
De studies sloten de meest kwetsbare netvliezen uit: hun stilzwijgen geldt niet voor die netvliezen.
Meer proliferatieve retinopathie bij netvliezen die al aangetast zijn, minder nieuwe retinopathie bij de andere: de paradox van de vroege verergering.
Een studie die in 2025 in Diabetologia verscheen, volgde 3.435 patiënten die met tirzepatide behandeld werden, gematcht met 3.434 niet-blootgestelde patiënten. Een nieuwe proliferatieve retinopathie ontstond bij 1,1 % van de patiënten onder tirzepatide tegenover 0,5 % van de controlepersonen.
Na correctie voor de risicofactoren ging tirzepatide gepaard met een meer dan verdubbeld risico op proliferatieve retinopathie (odds ratio van 2,15). Het fenomeen trof vooral patiënten die al een lichte niet-proliferatieve retinopathie met maculopathie hadden, of een matige tot ernstige retinopathie.
Dezelfde studie vond echter ook een schijnbaar tegenstrijdig resultaat. Bij patiënten zonder retinopathie bij de start ging tirzepatide gepaard met een lager risico op het ontstaan van een retinopathie (odds ratio van 0,73). Het ging evenmin gepaard met een significante progressie bij wie slechts een lichte retinopathie had.
Deze paradox is precies wat men van een vroege verergering verwacht: een snelle metabole correctie kan een reeds kwetsbare retinopathie tijdelijk destabiliseren, terwijl een betere diabetescontrole op lange termijn gunstig blijft voor het netvlies.

Sindsdien hebben meerdere studies bij veel grotere populaties gunstige resultaten opgeleverd. Een studie die in 2026 in Ophthalmology verscheen, vergeleek 86.923 patiënten onder tirzepatide met evenveel gematchte patiënten die enkel leefstijlmaatregelen (voeding en beweging) volgden. Na twaalf maanden had de tirzepatidegroep minder nieuwe lichte retinopathieën, minder proliferatieve retinopathieën, minder macula-oedeem, minder glasvochtbloedingen en minder tractionele netvliesloslatingen. Intravitreale injecties met anti-VEGF en panretinale fotocoagulatie waren er ook minder frequent.
De hierboven vermelde studie uit Ophthalmology Retina, die tirzepatide rechtstreeks vergeleek met de andere GLP-1-agonisten, vond eveneens minder retinopathie, minder macula-oedeem en minder netvliesingrepen onder tirzepatide.
Tot slot vond een internationale studie die in september 2026 verscheen, na één jaar geen toename van oogheelkundige complicaties onder tirzepatide in vergelijking met de andere GLP-1-agonisten bij diabetespatiënten: 3,5 % in beide groepen. Ze sloot echter patiënten uit die al een oogziekte hadden, dat wil zeggen precies diegenen op wie de vroege verergering betrekking heeft.
Geen geneesmiddel dat toxisch is voor het netvlies, maar een periode van waakzaamheid bij patiënten van wie het netvlies al aangetast is.
Een bekende retinopathie en een verwachte sterke daling van de HbA1c: dan is het moment gekomen om na te gaan of de oogheelkundige opvolging geregeld is.
Geen enkele richtlijn legt een specifiek oogonderzoek op aan iedereen die met Mounjaro begint. Bij een persoon met obesitas zonder diabetes, zonder visuele klachten en zonder bekende oogziekte rechtvaardigt vandaag niets een bijzondere screening louter vanwege tirzepatide.
Bij de diabetespatiënt ligt de situatie anders. Die moet hoe dan ook de aanbevolen screening op diabetische retinopathie krijgen.

Wanneer een retinopathie al bekend is, vooral als ze matig of ernstig of proliferatief is, of gepaard gaat met macula-oedeem, is het redelijk om na te gaan of een aangepaste oogheelkundige opvolging geregeld is vóór of kort na de start van een behandeling die de HbA1c sterk kan doen dalen.
Dat is des te relevanter wanneer de diabetes bij de start sterk ontregeld is en een snelle metabole correctie verwacht wordt. Het onderzoek van het netvlies (oogfundus), zo nodig aangevuld met een OCT van de macula, maakt het mogelijk het stadium van de retinopathie te bepalen en het ritme van de opvolging aan te passen.
De vraag is moeilijker. Voor semaglutide is voorzichtigheid voortaan duidelijk gerechtvaardigd door de beschikbare gegevens en door het standpunt van het EMA. Voor tirzepatide bestaat er vandaag geen signaal dat sterk genoeg is om van een voorgeschiedenis van NAION een formele contra-indicatie te maken.
Bij een patiënt die door NAION een belangrijk deel van het zicht van één oog heeft verloren, verdient de beslissing niettemin een individuele afweging. Het spontane risico dat ook het tweede oog getroffen wordt, de vasculaire factoren, een eventueel slaapapneusyndroom, de configuratie van de oogzenuwen en vooral de verwachte metabole en cardiovasculaire voordelen moeten mee in rekening worden gebracht.
Op basis van de huidige gegevens zou het overdreven zijn om Mounjaro systematisch te weigeren aan deze patiënten. De beslissing wordt genomen samen met de voorschrijvende arts en de oogarts.
Een voorgeschiedenis van NAION is geen formele contra-indicatie voor tirzepatide, maar vraagt om een beslissing geval per geval.
Een plotse daling van het zicht van één oog of een plots ontbrekende zone in het gezichtsveld: raadpleeg dringend een oogarts.
Een plotse en pijnloze daling van het zicht van één oog, het plotse verschijnen van een ontbrekende zone in het gezichtsveld of elke snelle en onverklaarde achteruitgang van het zicht moeten leiden tot een dringende oogheelkundige consultatie.
Deze symptomen kunnen wijzen op NAION, maar ook op een vasculaire occlusie van het netvlies, een netvliesloslating, een glasvochtbloeding of een andere aandoening die een snelle behandeling vereist. Ze betekenen niet dat Mounjaro de oorzaak is.
Bij een diabetespatiënt met een bekende retinopathie moeten veel nieuwe mouches volantes (vlekjes in het zicht), een daling van het zicht of vervormde rechte lijnen eveneens leiden tot een controle.
De praktische boodschap verschilt dus van die over Ozempic: bij een patiënt met een bekende diabetische retinopathie, zeker als die gevorderd is, moet een aangepaste oogheelkundige opvolging verzekerd zijn tijdens de snelle verbetering van de glykemische controle. En zoals bij elke patiënt rechtvaardigt een plotse of snel toenemende achteruitgang van het zicht een dringende oogheelkundige consultatie.
Het telefonisch secretariaat is bereikbaar van 9.00 uur tot 17.30 uur.
+32(0)2/256.90.83